Jan Juffermans is schrijver en milieuFootprint-activist. Hij werkte van 1978 tot 2010 bij De Kleine Aarde, werd in 2009 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en stond in 2010 op plaats 34 van De Duurzame 100 van het dagblad Trouw. Hij is actief lid van het Platform Duurzame en Solidaire Economie, de Werkgroep Voetafdruk Nederland en Transition Town Boxtel.

1972 – Grenzen aan de groei

Ik ben in 1945 geboren in Oegstgeest en woonde in de jaren ’70 getrouwd en wel met mijn vrouw Marianne in Valkenburg aan de Rijn bij Leiden. Wij hadden een vriendengroep – “de gespreksgroep” noemden wij dat – waarmee wij naar allerlei wereldproblemen keken. Het rapport Grenzen aan de Groei van de Club van Rome verscheen in 1972 en kwam als een donderslag bij heldere hemel. Het ging over de bevolkingsgroei, het overgebruik van de Aarde en het opraken van grondstoffenvoorraden. Wij jongelui bespraken dat rapport en
discussie over overbevolking kwam zo duidelijk bij ons aan dat bijna alle vrienden van ons groepje niet meer dan twee kinderen hebben gekregen. Enkele maanden na de publicatie van Grenzen aan de Groei verscheen er een stukje in de Volkskrant over een tijdschrift en ecologisch centrum, De Kleine Aarde, dat zou worden opgericht. Het centrum kwam in Boxtel, waar men leerde met nieuwe technieken en volgens nieuwe inzichten voedsel, schoon water en veilige energie te produceren en duurzaam te bouwen. Ik ben onmiddellijk donateur geworden.

Kort na ontvangst van de eerste nummers van ‘De Kleine Aarde’ gingen Marianne en ik onze sabbath-periode vieren. We hadden al een aantal jaar gewerkt en we wilden meer van de Aarde zien. Marianne was actief in de wereldwinkel in Leiden, die vroeger echt andere winkels dan nu waren: het waren meer wereld-actie-plekken. Ik was toen actief in de Stichting 2% (2% van je inkomen voor mondiale ontwikkeling, zoals prof. Jan Tinbergen adviseerde) en werkte bij een uitgever en ik kon voor hen onderweg 1 à 2 dagen per week werken want wij hadden klanten in alle uithoeken van de Aarde. Bijna alle universiteiten van de wereld waren onze klanten. Wij gaven
geselecteerde oude boeken en tijdschriften op vele wetenschappelijke gebieden opnieuw uit op microfiches, die kleine kaartjes die de voorloper waren van de CD-ROM.

Wij ging in oktober 1972 op reis. Eerst per trein naar Turkije, daarna reisden we over land verder naar Iran, Afghanistan, Pakistan en zo door naar India. We hadden een afspraak in Delhi bij één van onze klanten, de bibliothecaris van de Jamia Millia Islamia-universiteit genaamd Jamil Qureshy. Wij hebben drie weken bij hem op de campus gewoond. Daarna hebben we heel India rondgereisd, belangstellend gevolgd door Qureshy, met wie we nog steeds contact hebben. We zijn toen ook in Nepal en Bangladesh geweest. We zouden na 6 maanden teruggaan, maar daar hadden we helemaal geen zin in. Daarom stuurden we een briefje aan mijn uitgever in Leiden dat we graag door wilden reizen naar de klanten van de uitgeverij in Zuid- en Oost-Azië.. We kregen een enthousiaste brief terug: doe maar. Onze enige voorwaarde was dat zij de nodige vliegreizen zouden gaan betalen – vliegen was toen nog niet aan milieu gekoppeld. Zo reisden we door naar Birma, Maleisië, Thailand, Singapore, Indonesië, Hong Kong, de Philippijnen en Zuid-Korea. We hebben nog geprobeerd China binnen te komen, maar dat is niet gelukt. We hebben het reizen volgehouden tot augustus 1973. Toen zijn we via Japan uiteindelijk met de boot naar Nachodka gevaren en via de Trans-Siberische spoorlijn in Moskou aangekomen, en zo verder terug naar Leiden.

Vegetariër

Het was een hele mooie reis, die ons ook bewuster maakte van de milieu- en mondiale impact van de vleesconsumptie. In India aten wij voortdurend vegetarisch. Op stations daar heb je daar vegetarian en non-vegetarian restaurants en wij vonden het vegetarische eten hartstikke lekker. Terug in Nederland las ik in de krant dat een zekere professor René Dumont tijdens een conferentie van de Food and Agriculture Organization van de Verenigde Naties had gezegd dat noordelingen eigenlijk grotere kannibalen zijn dan de echte kannibalen van vroeger uit Afrika, omdat wij zo’n 8 kg landbouwproducten gebruiken om 1 kilootje vlees te maken. En die voederproducten worden met name geïmporteerd uit Brazilië en Thailand; ze worden als het ware weg gegeten voor de neuzen van de lokale bevolking. Dat was de eerste keer dat mij volstrekt duidelijk werd hoe belastend voor de Aarde onze vleesconsumptie is. Marianne en ik zijn toen zelf langzamerhand vegetariërgeworden. In 1974, toen ik nog bij de uitgeverij werkte, maakte ik een poster als reactie op de tergende reclame van het Productschap voor Vee en Vlees, indertijd een promotie-bureau voor de vleessector. Zij hadden een grote reclamecampagne: “Vlees mevrouw, u weet wel waarom”. Toen al wisten we dat we in Europa qua gezondheid veel te veel dierlijke eiwitten aten. De Kleine Aarde publiceerde in hun tijdschrift ook al over minder vlees eten., en er waren gezondheidsvragen over. Die reclame van het PVV vond ik zo tergend dat ik besloot een poster te maken om tegen-actie te voeren. Erop zette ik ook een uitspraak van De Kleine Aarde: “Kom erbij en eet, net als wij, overwegend plantaardig voedsel. Leer hoe lekker het is en hoe gezond je er (ook nog!) van wordt en hoe opvallend weinig keren planteneters de dokter of de tandarts nog zien. Ja, en wie weet zullen vele mensen deze bezinning op de voeding net als wij als een weldaad ondergaan, een weldaad voor je geweten, een weldaad voor je lichaam en voor je portemonnee.” Die poster is toen bij duizenden de deur uitgegaan, met giro-kaartjes, tegen kostprijs. In 1976 schreef ik een artikel over deze actie en ik bood het aan aan de redactie van het Kleine Aarde- tijdschrift. Dat artikel werd geplaatst en intussen was ik ook al eens op excursie geweest bij De Kleine Aarde met studenten Biologie uit Leiden.

Op naar Boxtel

Na terugkomst van onze reis door Azië had ik op mijn werk bedongen dat ik niet fulltime hoefde te werken. Ik wilde meer tijd hebben voor andere zaken en heb eerst een tijdje Sociologie en daarna Westerse filosofie en Boeddhologie gestudeerd, maar deed al gauw geen examens meer. Ik liep die colleges tijdens mijn werk, dat was op fietsafstand van elkaar.

In 1976 begon ik ander werk te zoeken, werk dat meer in lijn lag met mijn groeiende belangstelling voor milieu en ontwikkeling. Eind 1977 werd er een hoofdredacteur/uitgever gevraagd bij De Kleine Aarde en het leek me wel wat. Nogal naïef ben ik toen gaan solliciteren. Ik werd onmiddellijk aangenomen en besefte toen dat we zouden moeten verhuizen. In een razend tempo hebben we toen ons huidige huis in Boxtel gevonden, op 5 minuten fiet van De Kleine Aarde. We hadden in Valkenburg aan de Rijn een oud huisje dat we helemaal gerenoveerd hadden een klus van 9 jaar. Toch wilden we daar al weg vanwege de drukke weg die van Leiden naar Katwijk langs ons huisje liep; dat vonden we te gevaarlijk voor onze kleine kinderen. Wij besloten ons huis te verkopen en naar Boxtel te verhuizen, met onze dochters Judith van 1 en Barbara van 3 jaar.

Eind 1977 gaven we een afscheidsfeestje voor onze vrienden in Valkenburg aan de Rijn. Toen het feest was afgelopen en alle mensen de deur uit waren, zetten wij de radio aan en hoorden we dat er grote brand was in Boxtel bij De Kleine Aarde! Ik begon krap twee maanden later met mijn werk in Boxtel en kwam in een puinhoop terecht. De grote boerderij waarin De Kleine Aarde vooral huisde was tot de eerste verdieping helemaal afgebrand. Maar binnen de kortste keren hebben ze op het terrein een schooltje neergezet en gingen de cursussen die ze aanboden weer door. Ik kwam in de verbouwde oude varkensstal met dubbel glas! – te zitten, met mooi uitzicht op de tuinen. Het werk ging dus gewoon door.

Gouden Jaren

In feite werd het Kleine Aarde-project in het begin van alle kanten geknuffeld: ze ontvingen de Margriet-prijs, Koningin Juliana kwam op bezoek en aan publiciteit was geen gebrek. Er was ook weinig of geen concurrentie en het concept van De Kleine Aarde het ontwikkelen van kleinschalige ideeën en technieken om het milieu te ontlastten, als antwoord op de waarschuwing van de Club van Rome was vrij uniek. De pers zoog het allemaal op. Zo stond Vroege Vogels (het radioprogramma van de VARA) elke keer op de stoep als we weer iets nieuws hadden bedacht, zoals bijvoorbeeld de eerste zelfbouw-windmolen, de Biologische Boerenmarkt en het Wegwerp-Museum.

Milieudefensie ontstond ook in die periode, net als Vogelbescherming en de Waddenvereniging. Het was gewoon de tijd van mouwen opstropen en aan de slag gaan. Wij zaten in het Landelijk Milieu-Overleg (LMO) en daar ontmoette je al die mensen uit andere natuur- en milieu-organisaties. Zo bouwde je een heel breed netwerk op.

Ik hielp natuurlijk mee dat netwerk te vergroten, en kende bijvoorbeeld een kernfysicus uit Groningen die alles van kernenergie af wist maar mordicus tegen was geworden. Ik werkte als hoofdredacteur van het tijdschrift De Kleine Aardeen runde de uitgeverij. Ik leerde intussen ontzettend veel van mijn collegas en alle artikelen die we publiceerden over thema’s als energie, landbouw, voeding, economie en bouwen. Ik fietste heerlijk in 5 minuten naar De Kleine Aarde toe, tussen de middag ging ik thuis lunchen met de kinderen die dan uit school kwamen. Ik had zo een prachtig leven.

Kringloopwinkels, Boerenmarkten en Bakfietsen

We hadden op De Kleine Aarde ook een voedselverdeelcentrum. Het voedsel dat al biologisch werd geproduceerd in de regio kwam samen in Boxtel en ging vanuit hier naar Limburg en Brabant, naar de eerste biologische winkels. Ook de biologische boerenmarkten in Nederland hebben wij als Kleine Aarde opgestart. Eigenhandig hebben we de kramen opgezet voor de proefmarkten in Boxtel. Dat was een heel gedoe met vergunningen en dergelijke, maar het lukte en we hebben twee jaar proefmarkten gehouden. Er kwamen ook mensen uit Amsterdam kijken, en die zijn met wat steun van onze kant een biologische markt op de Noordermarkt begonnen. Ik heb nog nooit een project gehad dat zo vanzelf is doorgegroeid, want op de biologische markt in Amsterdam kwamen weer bezoekers van buiten die stad kijken die vervolgens een biologische markt op gingen zetten in bijvoorbeeld Alkmaar en Den Haag. Het idee van de biologische markt kreeg ik tijdens een grote conferentie in India waar ik voor De Kleine Aarde aan deelnam. Daar ontmoette ik een Belg die markten voor directe verkoop van producten van kleine boeren hielp organiseren. Ik bedacht toen dat dat iets was wat je ook naar biologisch kon omzetten, en vroeg hem ons te helpen om dat in Boxtel te starten. Op die manier hebben wij via India vanuit België het model gekregen om de biologische markten in Nederland op te zetten.

 Zo ging het ook met de kringloopwinkels. Hanneke van Veen begon de eerste kringloopwinkel in een schuur op De Kleine Aarde, maar ze ging na een jaar al weer terug naar Den Haag. Daar richtte ze aan de Prinsengracht de eerste Haagse Kringloopwinkel op, en die winkels ontstonden later in het hele land. Ook de fiets, nu onmisbaar in het stadsbeeld maar toen nog een ‘geitenwollensokken’-ding, werd met een uitprobeer-circuit op het terrein van De Kleine Aarde gepromoot.

Mondiaal Leercentrum

De Kleine Aarde was een echt leercentrum; een opleiding avant la letre voor mondiaal ecologisch en duurzaam denken, waar mensen inspiratie en kennis op deden die ze vervolgens zelf gingen toepassen en verspreiden. Sietz Leeflang, de initiatiefnemer, was een wetenschapsjournalist die technisch goed onderlegd was. We hadden een hele groep techneuten, tuinders en een groep voedingsdeskundigen in ons team. Er waren ook altijd stagiaires die bij ons rondliepen. Met onze filosofie over duurzaam eten waren we pioniers: wij waren al bezig met minder vlees, biologisch- en seizoensgebonden eten uit de regio, het betalen van een eerlijke prijs aan de producenten en zo min mogelijk verpakkingen. Arnold de Vries-Robbé schreef in die tijd een boek over de principes van ecologische voeding dat ik heb mogen uitgegeven: ‘Eten wat de grond schaft’ (1978). Zaken die nu heel ‘gewoon’ zijn geworden. Je hebt tegenwoordig de opleiding Earth Sciences aan de VU in Amsterdam. Als ik dat curriculum zie, denk ik ‘goh, dat hebben wij allemaal via De Kleine Aarde bijgeleerd en over gepubliceerd’.

Op De Kleine Aarde hebben we ook een Bolhuis staan. Een “kringloophuis” uit 1974; het was een experiment in duurzaam bouwen. Als je zo min mogelijk buiten-oppervlak wilt creëren ten opzichte van de binnenruimte, dan kom je bij de bolvorm uit of een piramide – later werd er ook een piramide-huis gebouwd op De Kleine Aarde. Bij het Bolhuis werd bio-gas geproduceerd uit varkensmest en plantaardig afval. Een windmolen zorgde voor stroom en er was een grote zonne-collector voor warm water en verwarming. De bewoner gebruikte regenwater om te wassen en het huis was geïsoleerd met kurk en dubbel glas. Revolutionair was het. Jaap ‘t Hooft, die recentelijk meeliep met de Klimaatmars naar Parijs, woonde destijds een jaar in dat huis. Hij hield alle metingen bij en heeft een rapport gemaakt voor het Ministerie van Milieu, want dat betaalde mee aan het experiment. Het was een behoorlijk wetenschappelijke aanpak.

Mondiale Voetafdruk

Ik heb een jaar of 6 gewerkt als redacteur en uitgever en later ben ik beleidsmedewerker Duurzame geworden. In 1987 verscheen namelijk het Brundtland-rapport Our Common Future, geschreven door de World Commission on Environment and Development van de VN. Dat rapport bevestigde helemaal de invalshoek van De Kleine Aarde: mondiaal denken en lokaal handelen om milieu- en verdelingsvraagstukken in samenhang op te lossen. Het riep voor het eerst op tot duurzame ontwikkeling, dat is “een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien in gevaar te brengen”. In 1994 maakte ik kennis met professor William Rees uit Canada, op een Europese conferentie over duurzame gemeenten in Aalborg, Denemarken. Hij hield een voordracht over ‘De Footprint van steden’. Het bleek een methode om te meten wat een stad op jaarbasis gebruikt van de biocapaciteit van de Aarde. Geweldig vond ik het, geheel in lijn met wat we op De Kleine Aarde wilden doen. In 1996 publiceerde Rees, samen met Mathis Wackernagel, het eerste boek over de mondiale Ecologische Voetafdruk. Ik heb het toen direct helemaal uitgelezen. In 1998 gingen we het model op De Kleine Aarde gebruiken, voor educatie en voorlichting. Daarmee hebben we de Voetafdruk in Nederland geïntroduceerd. We ontwikkelden bijvoorbeeld een educatief proefproject van drie jaar met 8 Nederlandse gemeenten.

In 2006 kwam mijn Footprintboek uit: “Nut & Noodzaak van de Mondiale Voetafdruk: Overde mondiale gebruiksruimte, duurzaamheid en mensenrechten”. Met name die link met de mensenrechten vind ik cruciaal. Iedere persoon gebruikt een gedeelte van de ruimte op Aarde, afhankelijk van iemands consumptie. Met de mondiale voetafdruk kan je met een getal, uitgedrukt in “mondiale hectares”, aangeven hoeveel oppervlakte Aarde dat per persoon is. Nederland is bij uitstek een land dat heel veel hectares in het buitenland gebruikt. In 1996 werd gemeten dat wij op 23 miljoen hectare in andere landen beslag leggen voor onze , en dat is veel. De mondiale verdeling van gebruiksruimte is tergend. Nederland heeft nu gemiddeld een Voetafdruk van 3 ha. Sommige mensen hebben een voetafdruk van 20 ha, door hun vleesgebruik en al hun vliegreizen. En dan heb je de voetprintjes van Afghanistan van 0, hectare. Daarom stel ik voor om het recht op een Fair Earth Share, een Eerlijk Aarde-aandeel, tot mensenrecht te verheffen.

Ik heb mijn boek aan professor Bob Goudzwaard aangeboden, die vanuit de VU het boek ‘De economie van het genoeg’ had geschreven. Op De Kleine Aarde had ik met veel mensen al het gevoel dat als de huidige economie niet zou veranderen, we niet veel zouden komen richting duurzaamheid. Ik bood professor Goudzwaard het boek aan tijdens een conferentie in het Provinciehuis van Zuid-Holland dat ging over nieuwe indicatoren om welvaart en welzijn te meten. Tijdens die dag vroeg hij mij of ik mee zou willen doen aan een platform voor een andere economie. De Voetafdruk zag hij namelijk als een mogelijke indicator om welvaart en welzijn te meten. Ik vond dat een hele eer en sinds 2006 ben ik lid van het Platform Duurzame en Solidaire Economie.

Breed Welvaartsbegrip

Ons Platform heeft een groot netwerk. Veel andere organisaties denken met ons mee. Zo heeft Esther Somers uit Tilburg met ons y opgericht. Veel studenten beseffen sinds de financiële crisis namelijk dat hun curriculum niet meer up-to-date is. Het curriculum is in feite heel eenzijdig neo-liberaal geworden. De huidige indicator voor welvaart, het Bruto Binnenlands Product, kijkt alleen naar hoeveel geld er formeel in onze economie omgaat. Sociaal kapitaal en ecologisch kapitaal tellen niet mee. Sterker nog, als er een enorme storm is geweest waardoor er 10.000 auto’s zijn , is dat weer groei voor het BBP. Want er moeten mensen aan het werk om de schade en er moeten nieuwe auto’s worden gemaakt. Zo geldt bijvoorbeeld ook dat hoe meer gas wij in de winter gebruiken, hoe beter dat is voor het BBP. Het punt van de eenzijdige focus op de groei van het BBP is nu onderdeel van onze campagne ‘De Grote Transitie’.

We zijn er absoluut van overtuigd dat het BBP geen goede maatstaf is voor welvaart of welzijn. Daarom hebben w vanuit ons Platform onze kritiek op het BBP naar voren gebracht, ook richting de Tweede Kamer. jaar geleden hebben wij alle politieke partijen benaderd met onze nota die MEV+ heet. MEV staat voor Macro-Economische Verkenning; het financiële rapport dat elk jaar wordt gepresenteerd tijdens Prinsjesdag. Wij hebben daar een plus aan toegevoegd om ook de financieel-ecologische en -sociale kanten erbij te betrekken. Dan krijg je pas een goed beeld van onze economie, ons gezamenlijke huishouden.

Totaal onverwachts is eind 2015 de Tijdelijke Commissie Breed Welvaartsbegrip van de Tweede Kamer opgericht, die de waarde van het BBP onderzt en bekk of er meer indicatoren gebruikt moeten worden. Die Commissie heeft onze stukkenl ontvangen, inclusief ons ideale dashboard met indicatoren voor onder andere het , de biodiversiteit, de grondstoffenvoorraden en de kwaliteit van de bodem. Een delegatie van het Platform heeft begin 2016 een gesprek gehad met de Commissie.

Zo zie je maar, je bent aan het zaaien en weet nooit wanneer het opkomt.

Fatalisme en Hoop

Ik put hoop uit alle dingen die de laatste 40 jaar vooruit zijn gegaan. Tegelijkertijd krijgen nu we een periode waarin alles piekt. De wereldbevolking piekt, de CO2-uitstoot piekt, het grondstoffengebruik piekt. Maar het gaat bijna gelijk op met alle duurzame activiteiten die opkomen. Het is een soort wedren of we nog op tijd zullen komen. Ik vind het spannend om mee te maken wat er allemaal voor goeds wordt bedacht, uitgevonden en toegepast. Dat je in Nederland nu geheel op de zonne-energie kunt leven, daar had ik niet van kunnen dromen tot vijf jaar geleden. Daar geniet ik van en het geeft me de motivatie om aan de andere kant bij te houden wat er gebeurt qua achteruitgang van het milieu en die informatie ook te verspreiden. Je kunt aan beide kanten werken: de feiten blijven bijhouden en verwijzen naar alles wat al aan oplossingen op de plank ligt.

In theorie kunnen we het redden. In 20 jaar kunnen we omschakelen naar duurzame energie, dan moet je een strategie van aanpak ontwikkelen en uitvoeren. Het blijkt zelfs financieel aantrekkelijk. De Britse hoogleraar Stern zegt: alles wat je nu in duurzame oplossingen investeert, dat scheelt een veelvoud aan schade in de toekomst.

We weten dat we veel milieu- en sociale schade niet meer kunnen voorkomen. Nu al vallen er 400.000 klimaatdoden per jaar, volgens de Climate Vulnerability Monitor 201, en zelfs 4,9 miljoen doden in de hele keten van het gebruik van gas, olie en kolen. Een zeker fatalisme kan mensen dan parten spelen. Maar ik denk dat fatalisme niet nodig is, als je maar het gevoel hebt dat je doet wat je kan doen. Dat je nu zelf alle benodigde energie kunt opwekken met zonnepanelen-, eventueel met behulp van een lening van l 35.000 euro die zich in 15 jaar terugbetaalt, is toch fantastisch. Een huishouden in Nederland betaalt in 15 jaar namelijk gemiddeld 35.000 euro aan gas en stroom. Ik denk dat dit als een lopend vuurtje zal gaan zodra er meer mensen vanaf weten.

Wind-energie is inmiddels voordeliger dan gas, olie en kolen, ook dankzij de Fossil Free-beweging en hun divestment-campagne, die overheidsinstanties, kerken en bedrijven oproept om hun aandelen uit de fossiele industrie terug te trekken. De gemeente Boxtel is nu fossielvrij verklaard qua investeringen en doet mee aan de divestment-campagne tegen het pensioenfonds ABP, waar alle mensen van het gemeentehuis hun pensioenrechten hebben. Ik vind de divestment-campagne zo’n hoopvolle campagne dat ik er ook bij betrokken ben. Divestment is een krachtig instrument: het terugtrekken van investeringen uit Zuid-Afrika hielp mee om de apartheid versneld te beëindigen. Wat we nu nodig hebben is dat n gaan verklaren: “wij willen fossielvrij zijn.”

Martin Buber

Mijn optimisme en enthousiasme leid ik terug tot de filosofie van Martin Buber. Ik vergeet nooit de colleges die ik als student over hem heb gelopen. Zijn filosofie was kort geformuleerd ‘Ich werde am Du’: ik word pas ‘iemand’ dankzij de ander. Mijn mens-zijn ontwikkelt zich in relatie en in de ontmoeting met anderen. Ik ervaar dat ook zo. Mijn werk voor De Kleine Aarde, met Transiti Boxtel, met het Platform Duurzame en Solidaire Economie en ook met de Werkgroep Voetafdruk Nederland geven mij positieve. Het geeft voldoening om samen met anderen actief te zijn voor het welzijn van de samenleving en volgende generaties. Buber’s filosofie heeft zeker meegewerkt bij mijn stap naar De Kleine Aarde en ik denk dat ik het daarom ook volhoud. Maar ook omdat ik mensen ken zoals Wouter Veening, Marjan Minnesma, Jan van de Venis en Polly Higgins, mensen die echt doorhebben wat er moet veranderen en er ook aan werken. Die contacten en voorbeelden stimuleren en voeden me ook weer. Polly Higgins hoorde ik spreken in Kopenhagen in 2009 en ik vond haar idee om Ecocide te verbieden zo goed, dat wil je dan gewoon weer uitventen. Ik heb toen gelijk onder mijn digitale handtekening een link naar de site over het verbod op Ecocide gezet.

Ik pak ook af en toe weer nieuwe dingen op, daardoor verschuiven je prioriteiten, zeker na je pensioen. Ik heb nu grotere vrijheid om te switchen en kan van de ene op de andere dag iets nieuws oppakken, zoals bijvoorbeeld de Fossil Free-campagne en de actie om Aarde met een hoofdletter te schrijven. Toch past alles wat ik oppak in het grotere plaatje. Milieu en ontwikkeling blijven mijn passie, de rode draad in mijn leven. Vooral omdat het om mensenrechten gaat.

Advies voor groene pioniers

Volg nieuwe mondiale opleidingen zoals de opleiding Earth Sciences aan de VU om je te scholen in de toekomst van onze Aarde. Duik niet allemaal de business- en economie-hoek in. Ofwel: geld kunnen we niet eten.

Ga meedoen met één van de vele actie-groepen en platforms, zoals Transition Towns, de Fossil Free-beweging of kies voor de nieuwe economie. Het is een verrijking van je leven. Duik er gewoon in, net zoals ik heb gedaan. Doe het weloverwogen, maar ga van start.

We moeten Amnesty International gaan veranderen. Die kijken nu vooral naar lijfelijke overtredingen zoals geweld en gevangenisstraf. Maar ik heb al in 1996 met Amnesty in Amsterdam contact opgenomen en hen gevraagd of niet in het jaarlijks rapport ook de schendingen van een Fair Earth Share door rijke Westerse landen opgenomen moeten worden. We weten nu dat we rond 1970 door de duurzaamheidsbarrière van één Aarde zijn gegaan. Vanaf dat moment hadden we moeten bedenken dat we de Aarde, qua capaciteit, moeten gaan verdelen omdat iedereen recht heeft op een gelijk deel van de mondiale gebruiksruimte. Nu we de draagkracht van de Aarde al ver overschreden hebben, moeten we zeker gaan herverdelen naar een Fair Earth Share en samen die ruimte duurzaam gebruiken, zodat de Aarde ook voor toekomstige generaties goed behouden blijft. Het Fair Earth Share hoort thuis in het recht, in het beoordelen van schendingen van mensenrechten en in het beoordelen van de aantasting van de biocapaciteit, bijvoorbeeld door Ecocide, waardoor we allemaal tevens minder gebruiksruimte krijgen.